HOOFDSTUK 41 @BRK#Het was nog een halfuur tot zonsopgang. Arnaut leunde boven de poort over de palissade, en hij keek chagrijnig naar het vijandelijke kamp aan de voet van de heuvel. De kampvuren die de hele nacht door hadden gebrand waren inmiddels verworden tot smeulende hoopjes as. Ze fonkelden nog na in de vage schemering, en ze markeerden de rijen tenten waarin de troepen sliepen. Hij wist dat er langs de buitenkant van het kamp wel wachters rondliepen om in de gaten te houden of er geen onverwachte aanval werd voorbereid. Zoals hij nu aan het doen was. Hij voelde beweging naast zich, keek even om en zag dat Gilan erbij was gekomen. Samen bestudeerden ze de vijand. ‘Goedemorgen,’ zei Arnaut. Gilan bromde iets onverstaanbaars terug en zei toen: ‘Ik had al zo’n vermoeden dat jij hier zou zijn.’ Arnaut glimlachte. ‘Ben ik echt zo voorspelbaar?’ ‘Tja, je staat hier elke ochtend. Als je dat met voorspelbaar bedoelt, is het antwoord dus ja.’ ‘Ik hou gewoon de boel een beetje in de gaten.’ Gilan deed er even het zwijgen toe. Hij keek naar de rij smeulende kampvuren en naar de in stilte gehulde, donkere tenten. ‘Ik denk niet dat zij iets gaan proberen,’ zei hij uiteindelijk. ‘Hun vorige poging is ze vast niet goed bevallen.’ ‘Die keer bij de rivier ook al niet,’ antwoordde Arnaut. ‘Dankzij die boogschutters van jou.’ Gilan krabde even over zijn kin. ‘Ja, het is 2-0 voor ons, hè? Zouden ze het een volgende keer anders aanpakken? De frontale aanval heeft ze tot nu toe weinig opgeleverd.’ ‘Ik vraag me af of ze veel anders kunnen. Als ze tenminste naar een snel einde streven.’ Gilan fronste zijn wenkbrauwen. ‘Misschien is het hun bedoeling ons hier uit te hongeren. Voor een langdurig beleg hebben we onvoldoende proviand.’ ‘We hebben anders meer dan genoeg water,’ zei Arnaut. Gilan haalde zijn schouders op. ‘Ja, maar niet genoeg eten. Over een paar weken hebben we hier honger. En wat nog erger is: de paarden redden het niet lang zonder behoorlijk voer. En intussen zitten we hier vast. We kunnen nergens heen. We kunnen niet uitbreken. Ze zijn nog steeds ruim in de meerderheid en als we een aanval inzetten zien ze ons al ver van tevoren aankomen. En er is ook nergens dekking te vinden. Zij kunnen zich achter hun muur van schilden verstoppen, wat een gevecht voor ons alleen nog maar nadeliger maakt.’ Arnaut knikte. ‘Precies. Ze kunnen af en toe een ploegje omhoog sturen om ons van een afstandje te bestoken, maar volgens mij vinden ze het prima om daar beneden af te wachten en ons in de gaten te houden.’ Ze bleven een tijdje zwijgend naast elkaar staan. ‘Denk je dat jij in je eentje tussen hun linies door zou kunnen glippen?’ vroeg Arnaut toen. Gilan knikte vol overtuiging. ‘Natuurlijk wel. Maar het wordt een stuk lastiger om Bles mee te krijgen. Te voet kost het me zeker een week om kasteel Araluen te bereiken. En dan? Dimon beschikt daar over hooguit twintig of dertig man. Dat is lang niet genoeg om ons een vrije aftocht te verschaffen. En ze kunnen ook niet allemaal mee, want we kunnen het kasteel moeilijk helemaal onverdedigd achterlaten.’ ‘Ja, dat is waar,’ antwoordde Arnaut somber. ‘We kunnen dus weinig anders doen dan afwachten wat zij van plan zijn. Tenzij jij nog een of ander geniaal plannetje hebt. Ik heb me laten vertellen dat Jagers daar nogal goed in zijn.’ Gilan rolde even met zijn ogen. ‘Ja, zoiets heb ik ook gehoord. Als me iets te binnen schiet ben je de eerste die het hoort.’ ‘Dat zou heel fijn zijn,’ zei Arnaut. @BRK#Maddie bereikte halverwege de ochtend het open landschap rondom het kasteel. Bumper stond er al, op zijn verborgen open plek, en hij begroette haar enthousiast. Ik maakte me zorgen om jou. ‘Niks aan de hand, hoor,’ zei ze. ‘Ik was alleen een beetje verdwaald.’ Mooie Jager ben jij. ‘Ja, dat zei ik ook al tegen mezelf.’ Ze haalde het zadel van zijn rug en roskamde hem, vulde zijn emmer en strooide nog wat haver in zijn voederzak. Hij kauwde er tevreden op, met luidruchtig malende kaken, zoals dat bij paarden gaat. Toen ze zeker wist dat hij van alles was voorzien liep ze naar de rand van het stukje bos om even te kijken hoe het kasteel erbij lag. Alles leek heel gewoon. De ophaalbrug was naar beneden. Er liepen twee wachters voor de brug langs en ze zag er nog meer op de muren. Er was geen enkel teken of geluid van gevechten, wat ze wel had verwacht als Dimon bezig was het kasteel in te nemen. Misschien had hij het al voor elkaar, dacht ze somber. Als zijn plan was gelukt, waren zijn mannen en hij immers gewoon de ophaalbrug over gelopen. En het gevecht zou daarna snel achter de rug zijn, want de verdediging en haar moeder waren dan totaal verrast. Misschien was haar moeder al dood, dacht ze, en ze voelde tranen in haar ogen opwellen. Ze leunde tegen een boomstam en dacht nog eens goed over de situatie na. Op het eerste gezicht leek alles precies zoals anders, maar toch klopte er iets niet. Ze had het gevoel dat er ergens iets was veranderd in vergelijking met de vorige keer dat ze zo naar het kasteel had gekeken. Maar hoe ze ook keek, ze kon er de vinger niet op leggen wat het precies was. Ze nam het hele tafereel nog eens detail voor detail door: de muren, de torens, de kantelen, en ze probeerde te bepalen wat er toch precies haar aandacht trok. Het was niet de donjon. Het waren niet de kantelen op de buitenmuren. Het was niet het grote poortgebouw. Was het een van de hoektorens? Ze bekeek de noordelijke uitgebreid, en daarna de zuidelijke. Alles heel gewoon, en er wapperde zelfs een vlag op. Een vlag? Hé, de vorige keer dat ze keek wapperde er nog geen vlag op de zuidelijke toren. Ze keek er wat beter naar en ze zag sporen van rood op wit – een rode havik in duikvlucht. Het was het vaandel van haar moeder! Na een tijdje realiseerde ze zich dat het vaandel ondersteboven aan de vlaggenmast was bevestigd – het wereldwijde teken voor onraad! Ze dacht even na en begreep toen wat er gebeurd moest zijn. Dimon was erin geslaagd het kasteel binnen te dringen, maar blijkbaar was het haar moeder nog wel gelukt zich in de zuidelijke toren terug te trekken. Daar kon ze zich nog heel lang verdedigen. Het besef dat haar moeder in elk geval voor het moment veilig was, gaf Maddie nieuwe energie. Ze keek naar de partij struiken waarin de ingang van de tunnel verscholen lag. Die zag er onaangeroerd uit. Ze stond op het punt ernaartoe te lopen, maar op het laatste moment bedacht ze zich. Het was klaarlichte dag en op de kasteelmuren liepen wachters heen en weer – vijandelijke wachters. Ze mocht dan nog zo goed zijn in ongezien voortbewegen, dit was het risico niet waard. Het parklandschap werd opengehouden en regelmatig gesnoeid, juist om te voorkomen dat iemand ongezien bij het kasteel kon komen. Als haar moeder zich in de zuidelijke toren had verschanst maakten een paar uur meer of minder niet uit. Maddie besloot tot zonsondergang te wachten. Intussen kon ze wel wat rust gebruiken. Ze had een lange, slapeloze nacht achter de rug, en de ochtend was al even vermoeiend geweest. @BRK#De uren kropen voorbij. Ook al was ze nog zo moe, ze kon de slaap niet erg vatten. Ze dommelde wel af en toe weg, maar schrok dan weer snel wakker en begon meteen weer over de toestand te piekeren. Ze moest denken aan een van de stelregels van Will: De meeste tijd gaat op aan wachten. De belangrijkste eigenschap van een Jager is geduld. Maar eindelijk verdween de zon langzaam achter de horizon en gleed er een schaduw over het parklandschap. Nu, terwijl het licht wisselend en onzeker was, was waarschijnlijk de gunstigste tijd om op pad te gaan. Ze liep even terug om afscheid van Bumper te nemen, sloeg haar mantel om zich heen en liep toen zo diep mogelijk gebukt over het gras. Ze bewoog in het ritme van de wind en de schaduwen van wolken die over het park gleden. Ze hield de mantel strak om haar lijf heen, om te voorkomen dat delen ervan gingen flapperen. Dat soort beweging trok heel snel de aandacht van wachters. Terwijl de avond snel viel gleed ze zo onzichtbaar mogelijk het open terrein over. Toen ze eindelijk de struiken bij de ingang van de tunnel bereikte, stelde ze tot haar opluchting vast dat ze in het kasteel geen enkele reactie had gehoord of gezien. Haar lantaarn stond nog precies waar ze hem had achtergelaten, naast de ingang. Ze schudde er even mee en hoorde de olie erin klotsen. Het was nog meer dan genoeg. Ze kon er nog makkelijk twee keer mee door de tunnel. Zich bewust van de turende ogen op de kasteelmuren liep ze eerst een paar meter de tunnel in. Daarna sloeg ze pas met haar vuursteen wat vonken in haar tondeldoos en stak ze de lont aan. Het gele licht flakkerde vrolijk op de ruwe aarden wanden van de tunnel. Ze voelde even of ze haar slinger en haar sax bij zich had en begon aan de gebruikelijke wandeling. Ze kende de tunnel inmiddels op haar duimpje: eerst naar beneden, dan door het vochtige stuk onder de slotgracht en daarna weer omhoog. De hobbelige ondergrond veroorzaakte nog wel af en toe een wankeling, maar ze wist toch heel snel haar weg terug naar de geheime deur te vinden. Daar stopte ze abrupt. Ze had haar hand al uitgestoken om de steen weg te duwen, maar net op tijd hoorde ze zachte stemmen aan de andere kant van de muur. Ze legde haar oor ertegen en luisterde, maar ze kon niet verstaan wat er gezegd werd. Tot een van de stemmen, die wat hoger dan de anderen was, verstaanbaar werd. ‘… of liever een nacht in de cel. Misschien morgen… vriendelijker… Tot ziens!’ Er sloeg een deur dicht. Dat moest een celdeur zijn. Daarna hoorde ze het klikken van laarzen op steen. Iemand liep door de cel heen en weer. Ze hield haar oor tegen de stenen gedrukt en wachtte. Haar hart ging als een gek tekeer. Dat had maar weinig gescheeld. Ze was er zo aan gewend geraakt dat er verder nooit iemand in de onderste kelder was dat ze bijna rechtstreeks in de armen van een van Dimons mannen was gelopen. En dat terwijl het tamelijk logisch was dat hij mensen van het kasteel in de gevangenis ging gooien. Ze sprak zichzelf bestraffend toe. Daar had ze aan moeten denken. Haar moeder en de overgebleven manschappen van het garnizoen hadden zich naar alle waarschijnlijkheid in de zuidelijke toren verschanst. Zelfs nu zoveel medewerkers van het kasteel naar huis waren om op het land te helpen, waren er nog wel een paar bedienden, koks, boodschappers en andere personeelsleden in kasteel Araluen achtergebleven. Sommigen hadden zich natuurlijk bij Dimon en zijn gewapende mannen aangesloten, maar er waren er vast ook die weigerden om met hem mee te doen. En die gooide hij dan waarschijnlijk in de cellen in de kelders van de donjon. Ze dacht even over de situatie na. Ze kon de gevangenen nu vrijlaten en via de tunnel in veiligheid brengen. Maar daarmee zou ze haar aanwezigheid wel aan de tegenstanders verraden. Voor nu waren de gevangenen hier beneden wel veilig. Een beetje ongemakkelijk misschien, maar veilig. Ze besefte dat ze nu al minutenlang gehurkt en met haar oor tegen de muur gedrukt zat, terwijl er al een tijdje niets meer te horen was. Vanuit deze verborgen ruimte had ze wel toegang tot de twee andere tunnels. De ene leidde naar het poortgebouw, de andere naar de verborgen trap naar de bovenste verdiepingen van de zuidelijke toren. En daar wilde ze nu zo snel mogelijk heen.